Auteursrecht: verbouwing van gevel levert geen reputatieschade voor architect op.

Een maker van een creatief werk komt bepaalde rechten toe waarmee hij zijn werk tegen ongewenste invloed van buitenaf kan beschermen. Zo ook de architect. Artikel 10 van de Auteurswet bepaalt dat ‘ontwerpen, schetsen en plastische werken, betrekkelijk tot bouwkunde’ als werken worden beschouwd waarop het auteursrecht van toepassing is. Maar wat betekent het nou eigenlijk dat een werk door het auteursrecht wordt beschermd? Kort gezegd bestaat het auteursrecht uit exploitatierechten (recht op openbaarmaking en verveelvoudiging) en persoonlijkheidsrechten. Persoonlijkheidsrechten beschermen de band tussen de maker en zijn werk (bijvoorbeeld tegen een verminking). Enige tijd geleden oordeelde de Hoge Raad over de vraag of de architect in kwestie zich kon verzetten tegen een verbouwing. De architect baseerde zich hierbij op zijn persoonlijkheidsrechten als gestipuleerd in artikel 25 van onze Auteurswet.

Van kantoorpand naar appartementencomplex

Het is zeker geen onbekend fenomeen: een kantoorpand wordt opgekocht door een projectontwikkelaar om vervolgens te worden omgetoverd tot een appartementencomplex. In deze specifieke zaak betrof het een kantoorpand gebouwd naar het ontwerp van een bekende architect. Het pand stond al jaren leeg voordat de nieuwe eigenaar zijn plannen om het gebouw te transformeren tot appartementen voor starters, bekend maakte. Deze plannen zouden o.a. tot gevolg hebben dat het design voor de gevels van het pand, gewijzigd moest worden. De architect is niet ‘blij’, stelt dat hiermee zijn persoonlijkheidsrechten (artikel 25, lid 1, sub c en d Aw) zijn geschonden en stapt naar de rechter.

Persoonlijkheidsrechten van de architect

Kort gezegd, beogen persoonlijkheidsrechten de ‘band’ tussen de maker en zijn werk te beschermen. Het is om deze reden dat zij ook wel ‘morele rechten’ worden genoemd en dat de maker deze rechten niet kan overdragen (afstand doen kan in sommige gevallen wél). In deze zaak beriep de architect zich op 2 persoonlijkheidsrechten (terug te vinden in ons artikel 25 van de Auteurswet) om zich tegen de verbouwing te verzetten:

  • “Sub c: het recht zich te verzetten tegen elke andere wijziging in het werk, tenzij deze wijziging van zodanige aard is, dat het verzet zou zijn in strijd met de redelijkheid;

  • Sub d: het recht zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere aantasting van het werk, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid.”

Verhouding tussen sub c en sub d

De Hoge Raad grijpt deze zaak aan om een aantal aspecten van de persoonlijkheidsrechten (sub d en sub c) onder de loep te nemen. De volgende vragen kwamen aan bod:

Vraag 1: Betekent een ‘aantasting’ van het werk automatisch dat er ook sprake is van reputatieschade? De architect was van mening dat, op het moment dat er sprake is van een aantasting, de reputatieschade een gegeven is. De Hoge Raad is het niet met hem eens en oordeelt dat ‘reputatieschade’ als een separaat vereiste fungeert. In andere woorden: het is niet voldoende dat de architect betoogt dat er sprake is van een aantasting van het gebouw. Hij moet ook kunnen aantonen dat zijn reputatie daadwerkelijk schade heeft geleden.

Vraag 2: Wanneer is er sprake van een aantasting dat nadeel aan de reputatie (“eer of de goede naam”) van een maker toebrengt? De Hoge Raad geeft aan dat het er met name om gaat hoe het relevante publiek over deze kwestie denkt. Dit is een objectieve toets waarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen. Zoals:

“de aard en ernst van de aantasting, de mate van bekendheid van het werk en van de maker bij het relevante publiek, de reden voor de wijziging waarin de aantasting is gelegen, de waarneembaarheid daarvan voor het relevante publiek, en de tijd die reeds is verstreken tussen de voltooiing van het werk en de aantasting.”


Vraag 3: Wat is de verhouding tussen sub c (wijziging) en sub d (aantasting & reputatieschade)? In het arrest geeft de Hoge Raad aan dat sub c pas op het ‘toneel’ verschijnt, indien (i) wijzigingen in een werk geen aantasting opleveren en/of (ii) er geen sprake is van reputatieschade. De Hoge Raad benadrukt dat er pas aan de beoordeling van de redelijkheid van een verzet tegen een wijziging kan worden toegekomen, als er geen ‘reputatieschade’ kan worden bewezen.